Karin den Oudsten
Professionele begeleiding in het ouderschap

De maatschappelijke ladder


Natuurlijk weet ik dat het niet normaal is om een stoel door een raam te willen gooien, maar ik vraag tenminste door welke ruit die kan. Is mijn actie niet duidelijk genoeg? Hoort niemand mijn roep om aandacht? Ik heb al vaak genoeg aangegeven dat ik graag naar huis wil, maar er wordt niet geluisterd. Niemand geeft antwoord. De deur van de verpleegkundigen wordt hermetisch afgesloten en daarachter hoor ik geroezemoes. Wat zijn ze met me van plan?

En dan ineens gaat het snel.

De stoel die ik boven mijn hoofd houd, wordt me afhandig gemaakt. Twee verpleegkundigen pakken me vast, ieder met twee handen aan elke arm. Ze verdraaien mijn hand zodanig dat ik me onmogelijk meer kan losworstelen. De deur van de isoleercel wordt geopend. 

Met een krachtige beweging word ik voorover op het matras geduwd. Mijn laarzen worden uitgedaan en meegenomen. Voordat ik kan opstaan, valt de loodzware deur in het slot.

En nu zit ik opgesloten en denk na. 

Ik vraag me af hoe het zover heeft kunnen komen. Wat is er met me aan de hand? Een half jaar geleden ben ik getrouwd met de liefste man die ik ken en twee weken geleden bevallen van mijn tweede kindje. De eerste dagen van de kraamtijd waren geweldig. Een fijne kraamverzorgster, mijn oudste zoon als een trotse grote broer van elf jaar en een behulpzame man. Ik zat goed in mijn vel en genoot van alles. Niets wees erop dat er iets afschuwelijks zou komen. De vijfde dag na de bevalling werd een dag om nooit meer te vergeten. Die dag staat in mijn geheugen gegrifd.

Toen ging het namelijk mis, gruwelijk mis!

Er gebeurt iets in mijn hoofd wat ik moeilijk onder woorden kan brengen. Alsof er een koude vloeistof door mijn hersenen glijdt. Niemand die iets aan me kan zien, maar voor mij verandert de hele wereld. Het lijkt alsof ik via miljoenen onzichtbare draadjes ineens met iedereen verbonden ben. Omdat ik besef dat het ernstig is - maar er zelf geen naam aan kan geven - geef ik mijn man de opdracht om de kinderen weg te brengen naar de buren. Voor hun eigen veiligheid, maar niet wetende wat er met mij zal gebeuren en of ik hen ooit nog terug zal zien.

Dan ontstaat er telepathie met mijn man. 

Ik geef hem, zonder iets te zeggen, de opdracht om vaak water in te schenken. Ook mijn stilzwijgende opdracht om de huisarts en zijn assistent zo snel mogelijk de deur uit te werken, lukt bijzonder goed. Pas bij binnenkomst van de dienstdoende psychiater begin ik argwaan te krijgen. Van deze afspraak ben ik niet op de hoogte. Die heb ik gemist, omdat ik zo bezig was met het uittesten van de telepathie, mijn nieuw verworven levensgereedschap. Nu wordt het duidelijk: mijn man zit ook in het complot. Het neerleggen van twee slaappillen op de salontafel is het bewijs. 

Ze willen me vermoorden.

Mijn wantrouwen en angst laat ik niet merken. De slaappillen weiger ik stelselmatig, er blijkt een andere oplossing mogelijk. Het is een enorme verlichting als de ambulance voorrijdt en me naar de dichtsbijzijnde kliniek vervoert. Tijdens het eerst gesprek ben ik geconcentreerd op de verpleegkundige die ineens een duivels uiterlijk krijgt. Ik moet echt op mijn hoede zijn, want ook hier is het niet veilig.

De dagen erna zie ik mensen en spullen van het ene op het andere moment in het niets verdwijnen. De tijd gaat of uren vooruit of staat ineens stil. Ik beland in de meest gruwelijke hallucinaties. Vanuit de hele wereld hoor ik mensen huilen en zie flarden van angstaanjagende gebeurtenissen. Mijn lichaam geeft aan dat ik opnieuw moet bevallen, maar het blijkt een overvolle blaas te zijn. Mijn hersenen en lichaam bereiken een toestand waarin niets zeker of veilig is. Elk referentiekader van omgeving, tijd, verstand en gevoel is verdwenen. Zo enorm teruggeworpen op mezelf geeft een gevoel van enorme angst, eenzaamheid en wantrouwen.

Er komen strohalmen voor in de plaats waaraan ik me vasthoud om nog enigszins als mens te kunnen functioneren. De piepers van de verpleegkundigen geven het teken dat ik op de goede weg ben met mijn redenaties. Schuivende stoelen betekenen een gedachtenfout, dus die moet ik terugdraaien. De kleuren rood en oranje staan voor bedreiging, terwijl de groene deuren van het toilet en het washok juist veiligheid betekenen. Voor mij is het logischer dat ik me in een toneelgezelschap bevindt dan tussen andere psychiatrische patienten. Ik weet het gewoon niet meer.

Hoe weet ik wat de realiteit is en welke gedachte bij een psychose thuishoort?

Nog nooit heb ik een vlieg kwaad gedaan. Iemand bedreigen, vechten of klappen uitdelen is voor mij onvoorstelbaar, zelfs niet toen het bloed onder mijn nagels vandaan werd gehaald door anderen die het niet al te best met me voor hadden. Ook scheldwoorden en vloeken komen niet in mijn woordenboek voor. Vrienden en familie zouden me typeren als een zachtaardig mens met verstand. In een isoleercel maken een goede baan in het bedrijfsleven en een titel op zak niets meer uit. Ik ben van de maatschappelijke ladder af geduwd, maar door wie of wat is mij niet duidelijk.

Mijn negatieve gevoelens en onbegrip over de situatie leveren een flinke strijd met mijn allesoverstijgende positiviteit. De controle verliezen over letterlijk alles, namelijk verstand, emoties, lichaam en leefsituatie maakt bij mij een enorme oerkracht los. Een positieve kracht die is losgebarsten ik wil inzetten om een beter inzicht te krijgen in psychotische klachten.

Geschreven door Karin den Oudsten op 13 januari 2015