Karin den Oudsten
Professionele begeleiding in het ouderschap

Angst en Onrust - Hoofdstuk 1: Eindelijk ontslagen


‘Wat heerlijk! Met de kerstdagen zijn we gezellig met z’n vieren weer thuis.’ 
De verpleegkundige houdt de groene deur voor ons open, zodat we de lift naar de uitgang kunnen nemen. Mijn einddoel is bereikt, ook al heeft het heel wat verdriet, woede en onbegrip gekost. Niet alleen bij mij, maar ook bij mijn man Roel. Voor onze zoon Bram van elf werd het erg zwaar, aan hem was goed te zien dat hij het zich allemaal erg had aangetrokken. Het viel niet mee om zijn moeder te bezoeken op zo’n afdeling. Een gebroken been of een zware operatie kan iedereen begrijpen, maar op deze manier ziek zijn is een verhaal apart. Job, de jongste telg in ons gezin, heeft er allemaal nog geen weet van en dat is maar goed ook. Hij ligt te kraaien van plezier in de kinderwagen, terwijl Roel en Bram mijn spullen sjouwen. 
‘Bram, ga jij de lift maar halen.’ 
Dat hoef je tegen hem maar één keer te zeggen. De vele tassen met spullen laat hij net voor de lift op de grond vallen en snel drukt hij op het knopje. Even later gaan de liftdeuren open. Job en ik gaan als eerste naar binnen. De kinderwagen is niet bepaald wendbaar, dus het duurt even voordat alles en iedereen een plekje heeft in de ietwat krappe lift. Bram drukt met zijn elleboog op het knopje van de eerste verdieping, op die etage is de uitgang naar de parkeergarage. 
‘Wat een rotkleur is dit toch, hè?’ zegt Roel en geeft me een knipoog.
‘Ja, ik houd eigenlijk meer van groen.’
Samen schieten we in de lach. Bram begrijpt het onderonsje niet.
‘Dat leggen we later nog wel eens uit.’
Hij haalt zijn schouders op en eenmaal beneden tilt hij samen met Roel alle tassen de lift uit.
‘Jeetje, mam, wat heb je allemaal meegenomen?’
‘Alles wat ik nodig had, knul’, zeg ik in alle eerlijkheid. 
Dit is het moment waar ik zo ontzettend lang naar verlangd heb. Wat was het een verschrikkelijke frustratie! Nu pas zal ik gaan beseffen wat er allemaal met me gebeurd is. Ik leefde in een andere wereld, een wereld waarvan ik het bestaan nooit heb geweten. Vijf weken ben ik opgenomen geweest, waarvan twee dagen in een kliniek en de overige tijd in een gerenommeerd academisch ziekenhuis. Men heeft me verteld dat ik na mijn ontslag een lange weg te gaan heb, maar naar huis gaan is voor mij al een hele grote stap in de goede richting. Mijn hersens hebben een flinke opdonder gehad en dat moet stukje bij beetje herstellen. Niet alleen op lichamelijk gebied, maar ook op het emotionele vlak zal ik deze hele periode moeten verwerken. Het doet me goed dat ik vol trots met de kinderwagen door de hal van het ziekenhuis kan paraderen. Roel doet wat kleingeld in de betaalautomaat voor een enkele reis naar huis. 
De arts in het ziekenhuis heeft drie soorten medicijnen meegegeven. Eén medicijn om ’s avonds goed in te kunnen slapen en twee medicijnen om de aandoening te bestrijden en de restverschijnselen tegen te gaan. Die verschijnselen komen volgens de arts nogal vaak voor, maar hij heeft niet verteld wat er met me kan gebeuren. We hebben er ook niet naar gevraagd en eerlijk gezegd vind ik het allemaal nogal overdreven. Het zal een kwestie van opknappen zijn, zodat ik na een paar maanden weer kan werken. 
Eenmaal thuis ga ik met Job in mijn armen als eerste naar binnen. De grote verzameling plastic tassen en een volgepropte weekendtas worden op de bank geloosd. Job leg ik neer op een kleurig speelkleed in de box. 
‘Wat is het hier rommelig.’
‘Ja, mam, met die tassen van jou is het zeker een zooitje.’
‘Rommelig? We hebben alles juist opgeruimd’, verdedigt Roel zich.
Het lijkt wel alsof de woonkamer er anders uitziet dan toen ik vertrok, maar het rare is dat ik geen veranderingen kan ontdekken. Geen andere plant, geen nieuw lampje en zelfs geen andere kleur waxinelichtje in de houders. 
‘Heb je hier iets veranderd?’ probeer ik nog een keer.
Het antwoord op die vraag weet ik al, maar ik wil zekerheid hebben. Het kan zijn dat ik iets over het hoofd gezien heb.
‘Nee, eigenlijk helemaal niets.’
Vreemd. Er is niets veranderd, maar toch komt alles op me af. Ik begin maar meteen met het uitpakken van al mijn tassen. In de weken dat ik opgenomen ben geweest, heb ik veel spullen om me heen verzameld. Via de telefoon gaf ik aan Roel door wat ik nodig had en dat leverde een enorme waslijst van spullen op. Van een doos met hobbyspullen tot snoeischaar en van nagelschaartje tot laptop. Mijn hobbyspullen had ik nodig voor de verloren uurtjes en mijn laptop om wat aantekeningen te maken tijdens mijn verblijf. Binnen een uur ligt alles weer op zijn plek. Net als ik de strijkbout heb aangezet, roept Roel me.
‘Suus, kom je naar beneden? Job moet zijn flesje hebben.’
‘Ik kom zometeen, ik ga eerst even strijken.’
‘Nee, Suus, hij moet nú zijn fles.’
Lichtelijk geïrriteerd loop ik de trap af.
‘Waarom kan jij niet even de fles geven?’ vraag ik aan Roel.
‘En waarom moet jij zonodig gaan strijken? Je bent net thuis.’
Diep in mijn hart weet ik dat hij groot gelijk heeft. Ik denk zelfs dat ze hem in het ziekenhuis op zijn hart hebben gedrukt om mij goed in de gaten te houden, want ik heb veel te veel energie. Energie is misschien niet het goede woord, het is meer onrust. Er staat al een warme fles op de tafel klaar, dus het enige wat ik hoef te doen, is Job uit zijn box halen en hem de fles geven. Wat dat betreft maakt Roel het me erg makkelijk. In moeilijke tijden leer je elkaar kennen en waarderen. Want dat het de laatste weken moeilijk is geweest, dat is een ding wat zeker is. Job is erg gulzig en binnen een paar minuten heeft hij het hele flesje weggewerkt. Het is heerlijk om weer thuis te zijn en Job vast te houden wanneer ik dat wil. We zijn nu tenminste niet gebonden aan de tijden van het ziekenhuis. In mijn armen ligt een tevreden mannetje op zijn knuistjes te sabbelen. Zijn flesje is leeg, maar hij moet nog iets hebben om aan te zuigen. 
‘Heb je zijn speentje ergens gezien?’ vraag ik aan Roel.
‘Die ligt boven.’
Binnen een minuut is Roel weer beneden met een speentje. Bram is inmiddels naar zijn eigen kamer gegaan. Vaak heeft hij een dringende behoefte om de indeling van zijn kamer te veranderen. Zo’n twee keer per maand ondergaat deze een flinke metamorfose. Roel heeft stukjes vilt onder de hoogslaper en de kasten geplakt, zodat Bram naar hartelust kan schuiven zonder krassen op het laminaat te veroorzaken. Elke keer verzint hij een nieuwe opstelling, die dan net iets beter zou moeten zijn dan de vorige. Meestal wordt zijn kamer hermetisch afgesloten, horen we een flink gestommel en mogen we na ongeveer een half uur het eindresultaat komen bewonderen. Uiteraard met een glunderende Bram, die ter plaatse een korte uitleg geeft waarom hij specifiek die kast op die plek heeft gezet. Tijdens de laatste verbouwing is de grote boekenkast zodanig verschoven dat de achterwand is losgeraakt. Het is alleen een kwestie van een paar spijkertjes vasttimmeren.  
Roel heeft Job van me overgenomen en met z’n drieën gaan we naar boven. Uit de kamer van Bram hoor ik computergeluiden, dus dat betekent dat hij nu geen tijd heeft voor een rigoreuze verbouwing. Het kamertje van Job is nog hetzelfde als toen ik het huis verliet. Het behang heeft grote lichtblauwe en mosterdkleurige bloemen. Het ziet er beslist niet truttig uit, integendeel, het geheel is best stoer voor een babykamer. De meubeltjes waren tweedehands gekocht en alle benodigde spullen en diverse maten kleertjes waren op tijd aanwezig. 
Met drie maanden zwangerschap was het kamertje helemaal af. Dat was niet voor niets, want onze trouwdag zat er aan te komen. In krap vijf maanden tijd hebben we die dag geregeld, met alles erop en eraan. Een taart in de vorm van een witte limousine van een gerenommeerde taartarchitect, mijn trouwjurk van een bekende bruidszaak in de regio, de trouwlocatie in een sfeervolle boerderij uit de negentiende eeuw, een fotoreportage in een Japanse watertuin met vijvers vol koikarpers en ten slotte een sjiek vervoermiddel in de vorm van een crèmekleurige Engelse oldtimer met het stuur aan de rechterkant. Bram mocht die dag voorin zitten en de hele dag met ons mee als bruidsjonker. Hij had de mooiste dag van zijn leven. Zijn wens kwam uit: zijn moeder trouwde met zijn stiefvader Roel. Binnen een paar maanden zou de volgende droomwens werkelijkheid worden, namelijk de geboorte van een broertje of zusje. Het aanzoek voor die trouwdag was er één om nooit meer te vergeten. 

Het was Valentijnsdag. Tijdens de presentatie van een nieuw aangeschaft computersysteem haalde een secretaresse me uit de vergaderzaal met een dringende mededeling. Ik schrok behoorlijk, want drie dagen ervoor waren beide aanstaande schoonouders tegelijkertijd opgenomen in het ziekenhuis op de afdeling hartbewaking. 
‘Dit keer is het een leuke verrassing.’
Ze liep mijn kantoor in en ik volgde haar. 
‘Ga hier maar zitten, Suus. Wacht maar af.’
Binnen een minuut ging de telefoon.
‘Mam, kun je even naar beneden komen?’
‘Kun je naar beneden komen? Jij hoort op school te zitten!’
‘De meester weet ervan en hij vindt het goed. Kom nou maar.’
Via de trap haastte ik me naar beneden. Door de grote ramen in de centrale hal zag ik dat er buiten een enorme witte limousine stond. Met Bram. Naast hem stond de chauffeur in driedelig pak met een geopend portier. De hele straat stond vol met nieuwsgierige mensen, want iedereen wilde natuurlijk weten wie daar ging instappen. ‘Mam, ga je met ons mee?’
Van de zenuwen kreeg ik spontaan de slappe lach.
‘Hihihi, dat is wel goed...hihi...maar ik moet mijn spullen nog...hihi...even pakken.’
Ik ging naar boven en meldde me af in de vergaderzaal. Mijn collega’s wisten inmiddels dat de limo voor mij was bedoeld. De opmerking van de Australische man die de presentatie gaf, zal ik nooit meer vergeten.
‘That’s cool! That’s a big limo!’
Nadat ik mijn laptop achter slot en grendel had opgeborgen, ging ik voor de tweede keer naar beneden. Bram en ik stapten als ware popidolen in de grote glimmende wagen. 
‘Gaaf hè, mam?!’
‘Dat heeft Roel zeker geregeld?’
‘Ik mag niks zeggen.’
Bram deed met een denkbeeldig sleuteltje zijn mond op slot. De limousine was aan de binnenkant bekleed met een donkerrode stof en de sjieke bar was gevuld met allerlei verschillende alcoholische drankjes. Onderweg stak Bram af en toe zijn hand uit het raam, een beetje heen en weer wapperend. Zo zouden de mensen zeker denken dat er popsterren in zaten. Menigeen wilde die hand vasthouden wanneer we bij een verkeerslicht stonden. Na een half uur kwamen we bij een parkeerplaats aan. Niet zomaar een parkeerplaats, maar dé plek waar ik van Roel mijn allereerste kus kreeg. Hij stond er met een grote bos rode rozen en een prangende vraag. Die stelde hij pas toen hij geknield voor me zat.
‘Lieve schat, wil je met me trouwen?’
De vraag lag voor de hand, maar het luxe vervoermiddel, de bekende omgeving, de bijzondere dag en de twee mensen waar ik het meeste van hield, maakte het tot een zeer speciaal moment. Het is de droom van elke vrouw om op Valentijnsdag met een witte limousine onverwacht ontvoerd te worden naar de plek waar het allemaal was begonnen. We moesten toendertijd snel afscheid van elkaar nemen, omdat ik naar huis moest vanwege Bram. Maar ik kon me nog goed herinneren wat er in het berichtje stond op mijn mobieltje als antwoord op mijn vraag of hij al thuis was. 
‘Ik ben nog bezig met de landing, met een dikke kus van Roel.’
Dat zette meteen de romantische toon voor onze relatie.

Met een flesje binnen handbereik zit ik die avond met Job op de witte rotan stoel in de babykamer. Roel is in de andere kamer bezig met wasgoed op te hangen. Overdag voeden is geen probleem, maar ’s avonds is dat een ander verhaal. Dan zie en voel ik dingen heel anders aan. Ik ben dan extreem gevoelig voor ieder afwijkend geluid. Mijn gedachten voeren me terug naar de angst die ik in het ziekenhuis heb gehad tijdens het voeden. Ik weet dat ik het vertrouwen in mezelf volledig ben kwijtgeraakt en emotioneel nog erg uit balans ben. Maar toch zet ik door, want ik laat mijn leven niet bepalen door angsten.
Alsof zijn kleine leventje er vanaf hangt, drinkt Job zijn flesje helemaal leeg. Na een grote boer in mijn rechteroor pak ik hem voorzichtig beet en leg hem op de commode neer. Ik werp een blik op zijn gezichtje en schrik enorm. In slechts een fractie van een seconde lijkt het alsof er een ander jongetje ligt. Ik kijk langer naar hem om mezelf ervan te overtuigen dat het Job is die ik zie. Mijn hersens kunnen niet goed verwerken wat ik met mijn ogen zie. De schrik mist zijn uitwerking niet. Mijn lichaam is door de adrenaline meteen in opperste staat van paraatheid en mijn angsten vieren hoogtij. Het verschonen van zijn luier gaat redelijk, maar ik word zenuwachtig van zijn zachte gebrabbel. Mijn handen komen vanaf zijn luier niet hoger dan zijn buikje. Terwijl ik toch graag even zijn gezichtje wil aanraken of zijn haartjes wil strelen.
‘Roel, kun je even komen?’
Hij hoort aan mijn stem dat er iets is en staat in een mum van tijd naast me.
‘Ik durf de speen niet in zijn mondje te doen.’
‘Waarom niet?’
‘Ik ben bang.’
‘Bang? Waarvoor?’
‘Dat hij me bijt.’
‘Maar lieve schat, dat kan helemaal niet. Hij heeft nog geen tanden.’
‘Dat weet ik, maar toch ben ik bang.’
Gelukkig maakt hij nergens een probleem van, zodat ik vrijuit alles kan vertellen wat ik aan moeilijkheden tegenkom. De gedachte dat Job ineens weer kan veranderen maakt me al bang. Dat hij ineens vlijmscherpe tanden zal krijgen en nagels als klauwen. Met mijn verstand weet ik dat dat niet kan, maar mijn gevoel holt er kilometers ver achteraan. Ik zit in een achtbaan van emoties en heb er totaal geen controle over. 
Roel tilt Job van de commode en legt hem in zijn bedje. Het crèmekleurige ledikantje is wekenlang leeg geweest. Tot vandaag. Het kleine lijfje van Job ligt heerlijk warm onder de hagelwitte lakentjes en een wollen deken. De gordijnen zijn dicht en de eerste zachte tonen van een slaapliedje zijn ingezet. Zachtjes verlaten we zijn kamer.
‘Bram, zet je de computer uit? Het is voor jou ook de hoogste tijd om te gaan slapen.’ 
Vanuit zijn slaapkamer hoor ik wat gemurmel en even later gaat hij de douche in. 
‘Slaapt Joppie al, mam?’ vraagt Bram fluisterend.
‘Hij is net op weg naar dromenland.’
Bram poetst zijn tanden, trekt zijn katoenen pyjama aan en geeft ons een dikke kus.
‘Welterusten!’
‘Welterusten, lieve schat.’
Nadat Roel en ik ook hem hebben ingestopt, begeven we ons naar beneden. Nu merk ik pas hoe moe ik ben. Ik plof neer op de bank en Roel komt naast me zitten.
‘Het waren hectische weken, vind je ook niet?’
Hij kijkt me aan en ik kan dit alleen maar beamen. Het is heerlijk om weer thuis te zijn, het voelt als een warme deken. Veilig in mijn vertrouwde omgeving met de mensen om me heen van wie ik houd. Nu wijs ik zijn uitgestrekte armen niet af. Integendeel, ik maak graag gebruik van zijn aanbod om eens uitgebreid te knuffelen. Nu pas valt het me op dat Roel er vermoeid uitziet. Het lijkt alsof hij in een paar weken tijd meer grijze haren en rimpels heeft gekregen. 

Vanuit het ziekenhuis heb ik een medicijn meegekregen zodat ik wat gemakkelijker kan slapen. De laatste weken slikte ik deze al en het hielp me om de nacht goed door te komen. De onrust in mijn lichaam was behoorlijk groot en ’s nachts werd dat alleen maar heftiger. Eenmaal in bed merk ik dat die onrust nog niet verdwenen is. Integendeel. Volledige ontspanning brengt nog meer onrust teweeg. Mijn benen willen alle kanten op, behalve rustig op het matras liggen. Alsof ik een gigantische jeuk in de botten van mijn onderbenen en voeten heb. Een vreselijk irritant gevoel. Het fijnste is om snelle bewegingen met mijn benen en voeten te maken. 
‘Ik hoop dat ik de slaap kan vatten, ik voel me nog erg onrustig.’
‘Wat voel je dan precies?’
‘Alsof ik de marathon kan lopen.’
Roel heeft een brede grijns op zijn gezicht.
‘Ik kan je opgeven.’
‘Een ongetrainde en enigszins verwarde vrouw die het parcours onveilig maakt?’
We kijken elkaar aan met een begrijpende blik. Roel en ik denken vaak hetzelfde. Alsof er telepathie tussen ons is. Die gedachte laat ik snel gaan, want daar heb ik geen prettige herinneringen aan. Mijn medicijnen liggen op het nachtkastje. Eén tablet innemen moet voldoende zijn om in slaap te vallen. Ik doe het lampje uit.
‘Slaap lekker.’
‘Welterusten, lieverd.’
Het is een paar minuten voor drie op mijn wekker als ik weer wakker word. Al sinds de geboorte van Bram heb ik een zwakke blaas en ook nu speelt deze me parten. Ik daal langzaam af van de zolder naar de eerste verdieping. Als ik op de laatste tree sta, slaat de schrik me om het hart. Net om de hoek in de computerkamer zie ik een groot zwart gevaarte. Hij is met zijn sterke armen naar mij gericht en wacht totdat ik beneden ben. Met een lang shirt en een volle blaas zal ik een snelle sprint naar de badkamer moeten nemen, want daar ben ik veilig. Met de dichte douchedeur zie ik hem tenminste niet. Maar voorlopig sta ik nog op de laatste tree en de nood begint hoog te worden. De kou slaat op mijn blaas. Daarom besluit ik om mijn angst opzij te zetten en de gok te wagen dat hij me niets doet. Het is te gek voor woorden om bang te zijn voor een zwarte bureaustoel. Het is een hele nieuwe ervaring en weer eens wat anders dan spinnen of slangen. Ik besluit om niet te gaan rennen, maar gewoon te lopen en de deur achter me op slot te doen. Met mijn linkerhand vorm ik een klein schermpje naast mijn ogen, zodat ik aan die kant niets kan zien. Snel waag ik de oversteek. 
Eenmaal op het toilet laat ik alles lopen en voel ik me vreemd. ’s Nachts lijkt alles heel anders dan overdag. Het is alsof mijn angsten honderden keren versterkt worden en mij volledig in hun greep houden. Alles is een stuk geheimzinniger, alsof er elk moment iets engs kan gebeuren. Terwijl ik op het toilet zit, vraag ik me af of ik nog wel een spiegelbeeld heb. Doet dat spiegelbeeld hetzelfde als ik of gaat het gewoon zijn eigen gang? Is mijn hele lichaam in de spiegel te zien of is mijn hoofd verdwenen? Ik kan me niet herinneren dat ik daar in het ziekenhuis zo’n last van had. 
Voordat ik opgenomen werd, waste ik na een nachtelijk toiletbezoek altijd mijn handen, nam een flinke slok water en keek in de spiegel. Dat laatste is een probleem, net zoals de zwarte bureaustoel die mij net aankeek. Nooit gedacht dat een spiegel en een bureaustoel zulke grote struikelblokken kunnen worden. Toch besluit ik om het gevecht tegen mijn angsten aan te gaan. Langzaam sta ik op van het toilet, maar blijf gebukt staan net onder het spiegelniveau. Tijdens het handen wassen kijk ik naar beneden om niet direct geconfronteerd te worden met mijn andere ik. Een slok water nemen is geen probleem, want daarvoor moet ik nog wat verder bukken. Langzaam kom ik omhoog en ook mijn andere ik verschijnt langzaam. Totdat ze helemaal in beeld is. 
Er schieten allerlei bizarre gedachten door mijn hoofd. Ik ben bang dat ze met een halfzwart gebit hard en akelig gaat lachen. Of dat ze ineens bij de spiegel wegloopt en ik zonder evenbeeld achterblijf. Of dat ze in iemand anders verandert. Of dat ze met een snelle beweging haar armen uitstrekt en me wurgt. Ik probeer me te concentreren op andere dingen, zoals mijn toegenomen grijze haren en beginnende rimpels. Maar dichtbij de spiegel durf ik niet te komen. Heb ik voorheen teveel naar horrorfilms gekeken? Wat een waardeloze situatie is dit! Ik spreek mezelf toe en word boos. Mijn hele leven heb ik nooit te maken gehad met dit soort flauwekul en nu is dit een flink probleem. Het blijft eng om naar mijn evenbeeld te kijken, maar ik dwing mezelf ertoe. Als ik dat niet doe, gaat het van kwaad tot erger en zal ik ’s nachts nooit meer in een spiegel durven kijken. Iedereen zal me voor gek verklaren, maar het zij zo. 
Even later zwaait de badkamerdeur open en het sprintje terug naar boven trek ik alsnog. De confrontatie met mezelf heeft me veel energie gekost en dat kan ik er niet bij hebben. Al met al heeft dit hele geintje meer dan een half uur geduurd. Moed verzamelen duurt bij mij blijkbaar erg lang. 

Een blik op de digitale wekker vertelt me dat het al kwart over negen is. Ons tweepersoonsbed is aan de andere kant leeg. Ik heb blijkbaar zo vast geslapen dat ik Job niet gehoord heb. Zittend op de bedrand strek ik mijn lichaam uit. Als ik terugdenk aan mijn nachtelijk toiletbezoek wil ik weer in bed gaan liggen, maar mijn volle blaas haalt me over om uit bed te gaan. Bij de laatste tree kijk ik om een hoekje de computerkamer in en ontdek de zwarte bureaustoel in dezelfde positie als een paar uur eerder. In het daglicht is het een simpele stoel van zwart leer. Niets engs aan. Vanaf het toilet zie ik weer de grote ronde spiegel en ook die is een stuk minder angstaanjagend. Wat zit ik mezelf dan wijs te maken? Terwijl ik in gedachten ben, hoor ik Roel naar boven komen. Hij heeft Job in zijn armen.
‘Deze kleine meneer gaat nog even een tukje doen, hij heeft het helemaal gehad.’
Snel trek ik het toilet door, was mijn handen goed met zeep en volg ze de babykamer in. Job krijgt een schone luier en wordt in zijn ledikantje gelegd. Met een tevreden blik kijk ik Roel aan. Wat ben ik blij dat ik met hem samen ben en dat hij alles onder controle heeft. Ik hoef hem niets te vertellen. Hij maakt heerlijke flesjes voor Job, verschoont en knuffelt hem. Een geboren vader.
We gaan de kamer uit en lopen samen naar beneden. Beneden in de woonkamer krijg ik een dikke knuffel en een evenzo grote kus van mijn lieverd. 
‘Na zijn eerste fles was hij weer erg moe’, verklaart Roel, ‘hoe heb je trouwens geslapen?’
‘Wel goed, alleen mijn toiletbezoek duurde iets langer dan normaal.’
‘Ja, ik merkte zoiets.’
‘Ach ja, ik heb last van angsten en zie dingen die er niet zijn. Dat zal wel weer over gaan, maar voorlopig heb ik er wel mee te maken.’
Net als er een grote kop koffie voor mijn neus staat, gaat de telefoon. Er staat geen telefoonnummer vermeld op het apparaat, dus waarschijnlijk is het Karlijn, een goede vriendin van mij. Onze gesprekken gaan meestal over koetjes en kalfjes of de laatste roddels. Maar we hebben ook diepzinnige gesprekken over belangrijke levensvragen. Het is maar net waar we voor in de stemming zijn. 
‘Suus, ik ben blij dat je weer thuis bent. Hoe is het met je?’
‘Eigenlijk best redelijk. Het is wel wennen, maar ik zou niet anders meer willen.’
‘Ja, dat kan ik me voorstellen. Het is niet niks geweest.’
Karlijn kwam meerdere keren in het ziekenhuis op bezoek. De eerste keer zit nog vers in mijn geheugen. Ze was bang van me geworden, werkelijk doodsbang. Ik merkte dat ze me niet aan durfde te kijken. Bram moest topografie leren en Karlijn had hem overhoord. Zo kon ze haar aandacht op iemand anders vestigen, zodat ze de confrontatie met mij niet aan hoefde. Voor haar was het ook een moeilijke tijd. Dat hoorde ik achteraf van Roel. Toen ik net opgenomen was, heeft ze van pure ellende twee nachten niet kunnen slapen. Ze huilde en piekerde en vroeg zich af hoe zoiets kon gebeuren. 
‘Moet je veel medicijnen innemen?’
‘Ja, best wel. Ik heb drie soorten pillen en totaal acht tabletten per dag.’
‘Zo, dat is behoorlijk wat.’
‘Ik wil vanavond al stoppen met een slaaptablet. Eens kijken of ik zonder kan.’
‘Zou je dat nou wel doen? Je hebt ze niet voor niets meegekregen.’
‘Dat is wel zo, maar als het niet gaat, kan ik die pil alsnog innemen. Binnen een kwartier ben ik dan knock-out.’
We praten over de enorme onrust in mijn lichaam en de verzorging van Job. Na een klein uurtje babbelen hangen we op. Job ligt tevreden in zijn box. Het is fijn dat Roel twee weken thuis is in de kerstvakantie. Zo kan ik op een rustige manier weer aan mijn eigen omgeving wennen en met Job een routine opbouwen. Oorspronkelijk wilden de artsen mij pas twee weken later uit het ziekenhuis ontslaan, maar met goede argumenten heb ik hen ervan weten te overtuigen dat dat niet zo handig was. Bram zou dan direct naar school gaan en Roel naar zijn werk. Eerlijk gezegd durfde ik niet meteen alleen thuis te zijn met Job, zeker niet na alles wat er gebeurd was. Het zou een te zware psychische belasting voor me kunnen zijn en wie weet waar dat toe zou kunnen leiden. Daar wilde ik liever niet aan denken. 
Ook al hadden ze me in het ziekenhuis goed geholpen om die routine weer op te bouwen, eenmaal thuis is dat toch weer anders. Nu is de tijd gekomen om te herstellen van datgene wat er allemaal is gebeurd. Volgens de arts is de herstelperiode behoorlijk lang. We krijgen het advies om niet in weken of maanden te denken, maar eerder in jaren. Dat vind ik vrij fors, maar de tijd zal het leren. 

‘Vandaag ga ik de zolder helemaal opruimen.’
‘Doe je wel even rustig aan met jezelf? Je bent net uit het ziekenhuis. En bovendien moet Job weer een fles hebben.’
Roel heeft groot gelijk, maar de onrust moet weg. De onrust in mijn hoofd en de onrust in mijn lijf. En ik heb het idee dat dat alleen maar weggaat door op te ruimen. Een goede moeder zal altijd voor haar kind kiezen, dus ook in dit geval. 
‘Zo, boefje, kom jij maar eens even mee.’
Alsof Job een andere keuze heeft. Ik haal hem uit de box en leg hem in mijn linkerarm. Hij onderzoekt me met zijn grote blauwe kijkers. Tevreden zuigt hij op een speentje en valt soms stil met sabbelen. Blijkbaar is er iets wat zijn aandacht trekt en vergeet hij even zijn zuigbehoefte. Hij wappert met zijn armpjes door de lucht en af en toe raken zijn nog ongecontroleerde ledematen mijn gezicht.
‘Kijk je wel uit? Je bent levensgevaarlijk bezig. Straks heb je je moeder bewusteloos geslagen.’
Er verschijnt een grote glimlach op mijn gezicht. Job kijkt me onderzoekend aan, alsof hij begrijpt wat ik zojuist heb gezegd. Het is heerlijk om zijn warme lijfje te voelen en te genieten van een lief levend wezentje. Een tevreden mannetje bij een gelukkige moeder, een mooier gevoel bestaat er niet. Na een tijdje rollen zijn kleine oogjes langzaam weg, het gesabbel wordt minder en binnen een half uur heb ik een slapende Job in mijn armen. 
De billetjes van Job hebben het matrasje nog niet geraakt of ik begeef me naar zolder. Ik heb genoeg tijd, dus in theorie moet ik een heel eind komen. Halverwege de middag is de hele zolder ontdaan van overtollige spullen. Het resultaat is acht volle verhuisdozen met rommelmarktspullen, klaar om afgevoerd te worden. Heerlijk! Ook de inloopkast met kleding op de eerste verdieping moet er aan geloven. Het overtreft mijn stoutste verwachtingen: elf vuilniszakken vol met kledingstukken die weg kunnen. Opruimen heb ik altijd al heerlijk gevonden en ze zeggen dat je hoofd daar zo lekker leeg van wordt. En dat kan ik nu heel goed gebruiken. 
Niet alleen kleding, maar ook de administratie mag wel eens uitgezocht worden. Alle rekeningen worden keurig op tijd betaald, maar deze moeten in ordners opgeborgen worden. Dat zal pas na het avondeten worden. Roel heeft in de keuken zijn uiterste best gedaan om mijn lievelingsmaaltje te maken: zelfgemaakte nasi met saté. Een koud biertje, een plukje atjar, een stuk kroepoek en allerlei andere liflafjes maken de maaltijd compleet. Met die aparte bakjes en schalen zit de vaatwasser tjokvol. 
‘Heb je nog trek in koffie?’
‘Ja, lekker, dan pak ik de krant uit de brievenbus.’
Samen aan de eettafel de krant doornemen met een dampend bakje koffie erbij is bijna het hoogtepunt van de dag. Bram is druk bezig met een computerspelletje. Het opruimen van vandaag is misschien wel een beetje teveel geweest.
‘Ben je moe, Suus?’
‘Mmm, ja.’
‘Ik denk dat je er rekening mee moet houden dat je herstellende bent. Je bent dan wel uit het ziekenhuis, maar je hebt het flink voor je kiezen gekregen. Bovendien heb je een zware bevalling achter de rug en slik je zware medicijnen. Allemaal geen dingen waar je veel energie van krijgt. Gun jezelf de tijd.’
Roel is niet iemand voor donderpreken, maar hij heeft gelijk. 
Rrrrrrrrrr...uit mijn ooghoeken zie ik iets voorbijschieten. 
‘Zag jij dat ook, die spin?’
‘Nee, waar dan?’
Ik wees op de grond voor de salontafel. 
‘Daar ergens. Hij zal wel onder de televisiekast zitten. Hij was behoorlijk groot.’
Roel zakt door zijn knieën en kijkt onder de kast. 
‘Er is niets te zien.’
Vreemd, ik dacht toch echt dat er iets over de grond rende. Was dat echt een spin of leek dat maar zo? Of ga ik weer dingen zien die er niet zijn? 
Een uurtje later is het bedtijd voor Bram. Hij heeft zijn pyjama aangetrokken en leest nog wat bladzijden uit zijn favoriete boek. Ik kniel naast zijn bed en begin een gesprek.
‘Vind je het fijn dat mama weer thuis is?’
Hij knikt. Met zijn gedachten is hij diep verzonken in zijn boek. Ik strijk hem over zijn haar, maar dat wil hij niet meer. Hij haalt mijn hand weg. 
‘Ga maar lekker slapen.’
Hij legt zijn boek weg en trekt het dekbed verder over zich heen. Voordat hij er helemaal onder verdwijnt, geef ik hem snel een dikke kus op zijn wang. 
Even later vlei ik me op de bank naast Roel.
‘Het hele huis is wel kilo’s lichter geworden.’
‘Ik had vanavond nog de administratie willen doen, maar bij nader inzien…’
‘…kan dat ook een andere keer’, maakt Roel mijn zin af.
‘Inderdaad.’
‘Ga je de kleding nog verkopen?’
‘Nee, die breng ik wel naar zo’n kledingcontainer. Met de rest kan ik op een rommelmarkt gaan staan.’
‘Zoiets dacht ik al.’
Hij had met me meegedacht en de krant al doorgespit op zoek naar advertenties.
‘Over vier weken kun je terecht op het Dorpsplein.’ 

De kerstdagen vliegen voorbij en voor we het in de gaten hebben, zijn we in het nieuwe jaar beland. Zo gaan er maanden voorbij dat ik overdag alleen ben met Job. Hij drinkt zijn flessen leeg, heeft een regelmatig slaapritme en ontdekt steeds weer nieuwe dingen. Hij speelt met zijn kleine handjes, probeert met die handjes iets vast te pakken, draait zich om op het boxkleed, pakt zijn voetjes beet, zit al snel op zijn knietjes en ten slotte gaat hij staan. Flesjes melk en zachte fruithapjes worden vervangen door een boterham, een plakje ontbijtkoek of een soepstengel. Met hem gaat het goed, hij groeit als kool. 
Mijn herstel blijkt moeilijker dan gedacht, ik heb het zwaar onderschat. Een normaal gesprek voeren is voor mij een enorme psychische belasting, ook al gaat het over koetjes en kalfjes. Men wil weten wat er met me is gebeurd, maar begrijpt niet dat ik de gesprekken soms niet kan volgen. Alsof mijn hersens een spons zijn geworden die een maximum aan informatie kunnen opnemen. Teveel gesprekken op een dag levert gegarandeerd ’s avonds ellende op. Ik zie ineens dingen die er niet zijn of krijg zelfs een complete black-out.
‘Roel, ik zie zwarte schimmen langs het plafond gaan’, vertel ik als we in bed liggen en het licht uit is. 
Bij het volgende bezoek aan de psychiater vertel ik waar ik zoal last van heb.
‘Toen de buurvrouw vorige week op bezoek kwam, zag ik dat de muren gingen opbollen. En soms zie ik het gezicht van mijn man vervormen of is zijn stem ineens heel anders van toon.’
Hij noteert mijn bevindingen.
‘Andere keren zie ik alles om me heen in de kleuren rood en groen, soms maar een seconde lang.’
Ik word me ervan bewust dat mijn ogen iets anders doorgeven dan dat mijn hersens kunnen verwerken. 
‘En nu heb ik het helemaal gehad met die flauwekul!’ schreeuw ik tegen mezelf als ik weer op de bedrand zit. Roel doet snel een lampje aan.
‘Wat is er aan de hand, Suus?’
‘Ik zie in de hele kamer weer zwarte schimmen en die schimmen zoeken het nu zelf maar uit. Ik ga slapen!’
Voor mij is dat de druppel die de emmer doet overlopen. In het vervolg ga ik selectief met gesprekken om. De informatie die ik wil horen, laat ik toe. De rest van de overtollige stroom aan woorden laat ik voor wat het is. Andere mensen denken dat ik het gesprek aandachtig volg, maar het meeste gaat het ene oor in en het andere weer uit. Omdat ik aan anderen niet goed duidelijk kan maken dat gesprekken zo belastend voor me zijn, kies ik voor deze optie. Veel goedbedoelde adviezen leg ik al meteen naast me neer, want ik weet dat ik ze toch niet zal opvolgen. Er zijn ook mensen bij die de hele situatie proberen te begrijpen, maar ik vind dat verspilde moeite. Ik begrijp het zelf amper. 
Omdat anderen niets aan me kunnen zien, trekt men al gauw de onjuiste conclusie dat het goed gaat. Gedurende lange tijd krijg ik last van extreme moeheid. Zelfs al heb ik de hele nacht goed geslapen, dan is het de volgende dag toch mis. Jammergenoeg valt dat net in de periode dat we op vakantie zijn. Ik ben gewoonweg niet vooruit te branden: ’s ochtends heb ik geen puf om uit bed te komen, ’s middags geen energie om boodschappen te doen, te midgetgolfen, te fietsen of te zwemmen en ’s avonds wil ik maar één ding en dat is slapen. Het liefst blijf ik de hele week in bed liggen, maar de rest van het gezin heeft ook vakantie en daar wil ik het niet voor verpesten.
‘O, dat heb ik ook gehad’, is een veelgehoorde zin. En dan leg ik voor de zoveelste keer uit dat dit toch echt iets heel anders is dan een postnatale depressie en dat je die twee totaal niet met elkaar kunt vergelijken. Sommigen staan me met een glazige blik aan te kijken en weten niet wat ze ervan moeten denken.
Naast de psychische overbelasting, de extreme moeheid en het onbegrip van anderen krijg ik depressieve gevoelens. Ik maak Roel deelgenoot van mijn problemen.
‘Ik voel me somber.’
‘Vertel eens, hoe komt dat?’
‘Geen idee. Ik voel me zo nutteloos.’
‘Lukte het vandaag wel met Job?’
‘Ja, dat wel.’
‘Nou, kijk eens aan. Dat is goed van je.’
Roel weet altijd mijn negatieve gevoelens om te draaien naar iets positiefs. Hij gaat nooit mee in mijn somberheid, maar probeert dat te vertalen naar goede dingen die ik die dag heb gedaan. En daar ga ik me uiteindelijk weer beter door voelen.
‘Ik zat te denken aan mijn slaaptabletten.’
‘Wilde je die innemen?’
‘Ja, allemaal tegelijk.’
Inmiddels zijn de tranen in mijn ogen gesprongen. De gedachte om Roel, Bram en Job nooit meer te zien, kan ik niet verdragen. 
‘Lieverd, ik kom er nu aan en ben over een kwartiertje thuis. Doe je geen rare dingen? Ik hou van je.’
Een kwartiertje rotgevoel kan ik wel aan. Bij zijn thuiskomst druk ik meteen de slaaptabletten in zijn handen en vraag hem of hij ze ergens wil verstoppen. Zo kan ik niet in de verleiding komen om ze in te nemen. De volgende dag brengt hij ze naar de apotheek. Hij wil geen risico nemen dat ik weer dezelfde gedachten krijg. 

Menig keer zit ik de halve nacht beneden, omdat ik van de onrust geen oog dicht doe. Aan zo’n aanval van lichamelijke onrust is Roel inmiddels zo gewend geraakt dat hij zich omdraait en gewoon verder slaapt. Dat vind ik niet erg, want hij moet de volgende dag weer aan het werk en ik voorlopig nog niet. 
‘Wat ben je aan het doen, Suus?’
‘Ik ben even aan het strijken. Het zijn maar een paar dingen, dat is zo gebeurd.’
‘Het is vier uur ’s nachts!’
‘Maar ik doe geen oog dicht.’
‘Het is geen probleem als je beneden zit als je niet kan slapen, maar huishoudelijke klussen blijven voor overdag.’
Vanuit het ziekenhuis was er op gehamerd dat dag- en nachtritme niet omgedraaid mochten worden. Een leven met voldoende nachtrust, regelmatig eten en het vermijden van spanningen en stressvolle gebeurtenissen zou de kans op een goed herstel vergroten.
‘Hoe laat moeten we vandaag in het ziekenhuis zijn?’
‘Om half elf moet ik bloed laten prikken en om elf uur hebben we een afspraak.’
Mijn lithiumspiegel, de bloedwaarde die gemeten wordt in het ziekenhuis, blijkt bij controle nog niet stabiel genoeg. Volgens mijn arts bevind ik me in een nogal wankele toestand. Pas als ik aan het werk ga en mijn lithiumspiegel is minstens twee maanden stabiel, mogen de medicijnen afgebouwd worden.
Na een jaar begin ik met een langzame opbouw van mijn werktijd. Eerst twee uur per week werken en na twee weken pas uitbreiden tot vijf uur per week. Ik kom al snel tot de ontdekking dat ik me moeilijk kan concentreren en heel veel vergeet. Werkzaamheden die ik op een dag gedaan heb, ben ik de volgende dag helemaal kwijt. Dat is behoorlijk lastig, omdat het meer tijd en energie kost om zaken weer op te pakken. Mijn behandelend psychiater vraagt een onderzoek aan om mijn geheugen te testen en het verbaast me dan ook niet dat ik last heb van geheugenverlies. 
Regelmatig denk ik nog wel eens terug aan die trieste dag in november. Roel was voor het eerst na de bevalling weer aan het werk gegaan. Ogenschijnlijk was er geen vuiltje aan de lucht, maar onderhuids rommelde het bij mij. Niemand had kunnen bedenken dat een normaal verlopen dag zo dramatisch kon eindigen. Een bizar begin van een vreselijke nachtmerrie.  


Wil je het hele boek 'Angst en Onrust' lezen, ga dan naar Boeken en klik op de betreffende link.